netherlandsnl
Pensioenakkoord heeft impact op het beleggingsbeleid

Pensioenakkoord heeft impact op het beleggingsbeleid

18-06-2019 | Nieuws

Sinds afgelopen weekend zijn alle betrokkenen echt akkoord met het Pensioenakkoord. Dat is het startschot van een lange periode van uitwerken voor de wetgever, sociale partners, toezichthouders én pensioenfondsen.

  • Bart Oldenkamp
    Bart
    Oldenkamp
    Head of Robeco Investment Solutions

In het kort

  • 2022 lijkt ver weg, maar veranderingen zijn aanzienlijk
  • Deelnemers moeten voorbereid worden op aanpassingen
  • Koerswijziging in beleggingsbeleid lijkt noodzakelijk

In dit document geven we bestuurders van fondsen daarom vast een inkijk in de mogelijke wijzigingen, met name gericht op veranderingen rond het beleggingsbeleid. We maken daarbij onderscheid tussen elementen van het akkoord die aansluiten bij de gangbare praktijk en elementen die juist om andere uitgangspunten en implementatie vragen. Ook staan we stil bij delen van het akkoord die nog verder moeten worden uitgewerkt in de zogenaamde stuurgroep. Deze stuurgroep, bestaande uit allerlei belanghebbenden uit de sector, krijgt een omvangrijke opdracht. Pensioenfondsen kunnen uiteraard pas in een later stadium aan de slag met de aanbevelingen van deze stuurgroep, maar ook hier is voorbereiding al mogelijk. 

Hoewel nominale zekerheid wordt afgeschaft, wordt in het nieuwe contract nog steeds gerekend met nominale aanspraken. Zowel de ministerbrief als het SER rapport ‘Advies naar een nieuw pensioenstelsel’ geeft aan dat premies en verplichtingen worden berekend op basis van de marktrente (rentetermijnstructuur met UFR). Met de recente aanbevelingen van de Commissie Parameters betekent dit praktisch een terugkeer naar marktwaardering. 

De bonden en werkgevers hebben hun ongenoegen geuit over de adviezen van de Commissie en zeggen bij een nieuw akkoord om nieuw advies te gaan vragen. De afspraken in het Pensioenakkoord laten weinig ruimte voor een andere aanpak, tenzij de politiek dit zou besluiten. Het is onduidelijk of daar draagvlak voor is.

Het meetinstrument voor in te kopen en opgebouwde aanspraken blijft dus in grote lijnen hetzelfde. Het renterisico blijft daarmee ook van grote invloed op de dekkingsgraad van pensioenfondsen. Fondsen die de beweeglijkheid van de dekkingsgraad willen beteugelen, doen er straks ook goed aan een aanzienlijk deel van dit risico te beperken, los van de verwachtingen hoe de rentestand zich gaat ontwikkelen.1 

Een ander deel van het instrumentarium gaat wel veranderen: de VEV (Vereist Eigen Vermogen) en MVEV randvoorwaarden. De VEV is nu de scherprechter bij herstelplannen, maar verliest die rol in een nieuw contract. Dit kan zo zijn gevolgen hebben voor de asset allocatie van pensioenfondsen. Voor fondsen die in herstel zitten, speelt het VEV nu een minstens even grote rol als de economische rechtvaardiging van de allocatiekeuzes. Zo boden grondstoffen op basis van het VEV voordelen, terwijl sommige minder liquide beleggingen juist werden afgestraft.2  Een mooi neveneffect van het Pensioenakkoord kan zijn dat beleggingsmogelijkheden nog meer dan voorheen op economische merites worden beoordeeld.

Een belangrijke noviteit in het Pensioenakkoord is dat het beleggingsbeleid straks ‘op maat’ moet. Er wordt belegd in lijn met de leeftijdssamenstelling van het fonds.  Beleggingsrisico’s variëren dan conform een (impliciet) lifecyclepatroon. Het SER rapport schetst twee mogelijke richtingen: uitsmeerregels voor tekorten en overschotten die per leeftijdsgroep specifiek worden bepaald, of leeftijdsafhankelijk beleggen door beleggingspools per cohort te introduceren. Jongeren dragen straks dus meer kortingsrisico’s, maar profiteren ook meer van mogelijke overschotten. Ouderen dragen dan minder risico, maar daar tegenover staat dat de omvang van de indexatie beperkt zal zijn. De spagaat tussen indexatie-ambitie en nominale verplichtingen blijft in zekere zin bestaan.

Het gevolg van zo’n lifecyclepatroon is dat pensioenfondsen opnieuw moeten vaststellen wat het risicodraagvlak is – en nu ook per generatie. Het nieuwe contract betekent dat overschotten eerder worden vertaald naar extra pensioenaanspraken, maar ook dat deelnemers sneller met tekorten worden geconfronteerd. Een simpele rekensom geeft ons inzicht in de tekorten waar deelnemers straks mee te maken kunnen krijgen. Indien het nieuwe contract in 20073  zou zijn ingevoerd, dan hadden de grote bedrijfstakpensioenfondsen gemiddeld om de twee jaar een korting doorgevoerd, ondanks de aanzienlijke aanvangsdekkingsgraden van boven de 130%.4

Deelnemers moeten dus voorbereid worden op regelmatige aanpassingen in pensioenen en aanspraken. Doorgaans zullen de aanpassingen klein van aard zijn, maar grotere kortingen worden zonder aanpassingen in het beleggingsbeleid wel aannemelijker. De kamerbrief geeft aan dat de dekkingsgraad niet lager mag worden dan 90% – verdere dalingen leiden tot onvoorwaardelijke kortingen terug naar deze 90%. Bij startdekkingsgraden in 2022 rond de 100% zijn dergelijke kortingen dus al aan de orde bij dalingen van de dekkingsgraad van 10%. Ter vergelijking: sinds 2007 hebben de meeste grote fondsen eens in de drie á vier jaar een dekkingsgraadschommeling van meer dan 10% meegemaakt.

Pensioenfondsen doen er dus goed aan de komende tijd de gevolgen van mogelijke kortingen te doorgronden. Deelnemers moeten zich gaan realiseren dat aanspraken heen en weer kunnen schommelen – soms met uitschieters naar beneden. Als dat niet acceptabel is, dan moet het beleggingsbeleid robuuster worden ingericht, met minder kortingen, maar ook minder indexatie als gevolg.

Ontdek de nieuwste inzichten
Ontdek de nieuwste inzichten
Aanmelden

Voorbereidingen door pensioenfondsen

De transitie naar een nieuw pensioencontract betekent voor sociale partners en pensioenfondsen een grote uitdaging. Voorbereiding op een ander beleggingsbeleid lijkt nu nog ver weg en van ondergeschikt belang, zeker nu er nog weinig is uitgewerkt. De introductie van lifecycle-elementen in het beleid en meer schommelingen in de aanspraken vragen echter om een koerswijziging in het beleggingsbeleid, die weer zorgvuldige afstemming met de deelnemers vereisen. Bewustmaken van deelnemers en een vroegtijdige oriëntatie op nieuw beleid maken de kans op een succesvolle overgang naar een nieuw tijdperk alleen maar groter.

Daarnaast raden we fondsen aan om de beleggingscyclus – van uitgangspunten, oriëntatie op beleggingscategorieën, implementatiemogelijkheden en evaluatie – tijdig opnieuw te doorlopen met de voorgenomen wijzigingen in het achterhoofd. Wij verwachten dat beleggingsmogelijkheden weer meer op economische merites worden beoordeeld dan binnen het stringente VEV-kader. Op deze wijze kunnen pensioenfondsen in hun eigen tempo wijzigingen overwegen en waar nodig portefeuilleaanpassingen zonder transitiedruk doorvoeren.

1Fondsen die momenteel op UFR basis verplichtingen afdekken, zien door de adviezen van de Commissie Parameters vanaf 2021 hun relatieve renteafdekking aanzienlijk afnemen. Dit vraagt om tijdige herziening van beleid of implementatie.
2Wel verwachten we een aangepast toezichtkader dat blijft toezien op de financiële soliditeit van pensioenfondsen.
3Toen het FTK werd ingevoerd, met marktconforme rekenrente.
4Bij identiek beleggingsbeleid. In deze periode was er natuurlijk ook ruimte voor indexatie.

Gerelateerd aan dit artikel: