By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Maatwerk vereist bij lifecycle-beleggen

16-06-2014 | Tom Steenkamp De toekomstige verdiencapaciteit van werkenden verschilt per beroepsgroep en per individu. Bij zowel collectieve DC-regelingen als individueel lifecycle-beleggen heeft dit invloed op de beleggingsmix.

Op de door Fondsnieuws georganiseerde masterclass over lifecycle-beleggen plaatst hoofdredacteur Cees van Lotringen de trend om vaker zelf pensioen op te bouwen in een breed perspectief. Deze is in zijn ogen namelijk een gevolg van megatrends die wereldwijd spelen. Naast vergrijzing zijn dat urbanisatie, de opkomst van de middenklasse in de opkomende economieën en technologische ontwikkelingen. Deze vormen een bedreiging voor de Nederlandse verzorgingsstaat en het pensioenstelsel, stelt Van Lotringen. “De regering is aan het voorsorteren op een versobering. We zullen meer zelf moeten sparen voor ons pensioen.”

Hoe kan het, met deze noodzaak tot zelfredzaamheid, dat lifecycle-beleggen niet al veel populairder is? Lifecycle-fondsen voorzien immers uitstekend in de toenemende behoefte om een (extra) oudedagsvoorziening op te bouwen. Daarnaast is ook voor de aflossing van de hypotheek, de studie van de kinderen of de lang gekoesterde wereldreis ‘aan de levenscyclus aangepast beleggen’ een manier om binnen een vaste termijn vermogen op te bouwen zonder dat de belegger er veel omkijken naar heeft. En de doelgroep is breed: zowel deelnemers in DC-regelingen als particulieren die in de derde pijler voor aanvullend pensioen willen beleggen. De sprekers tijdens de masterclass denken dan ook dat deze vorm van vermogensopbouw de komende jaren alsnog een grote vlucht gaat nemen.

Flexibel en disciplinerend
Dirk van Ommeren, Investment Leader DC-solutions bij BNP Paribas Investment Partners beschrijft de kenmerken van lifecycle-beleggen: enerzijds wil de belegger gebruikmaken van zijn relatief lange beleggingshorizon en dus profiteren van de risicopremie die met name aandelenbeleggingen bieden. Anderzijds wil hij het risico binnen de portefeuille richting de einddatum van het fonds afbouwen. Stapsgewijs wordt het gewicht van aandelen en andere risicovolle beleggingscategorieën teruggebracht ten gunste van minder risicovolle categorieën als staatsobligaties en cash. In het begin van de looptijd ligt daarmee de nadruk op rendement, en in de loop van de tijd wordt meer zekerheid ingebouwd.

Maar naast rendement en zekerheid is ook flexibiliteit een van de aspecten van lifecycle-beleggen, stelt Van Ommeren. Zo kan de waardeontwikkeling tegen- of meevallen, of wellicht wil de belegger om persoonlijke redenen meer vermogen opbouwen of de einddatum vervroegen. De inleg in het fonds moet dus kunnen worden aangepast aan nieuwe behoeften of veranderde marktomstandigheden. Daarvoor is flexibiliteit nodig en die biedt lifecycle-beleggen.

Lifecycle-beleggen werkt ook disciplinerend, zeker als het gaat om aanvullend pensioen in de derde pijler. In het begin van het vorig decennium diende de stapsgewijze risicoafbouw bij doelbeleggen gerealiseerd te worden door in de loop van de tijd het risicoprofiel van de portefeuille te wijzigen. Maar dit vereist wel discipline van de belegger zelf of van zijn adviseur. En daar gaat het nog wel eens mis. Zo is het beloofde telefoontje van de adviseur die Van Ommeren ondersteunde bij het afsluiten van zijn beleggingshypotheek nooit gekomen. Zonder zelf in te grijpen zou hij nu nog steeds op dezelfde, offensieve wijze zijn belegd, ondanks dat de resterende looptijd inmiddels flink is afgenomen.

Doelbeleggen 2.0
Later werden de target-date-fondsen geïntroduceerd, waarbij deze aanpassing van het risicoprofiel automatisch wordt doorgevoerd. Daarna kwamen de ‘guaranteed target date’-fondsen, waarbij er zekerheid is over het eindvermogen, maar vanwege het lagere rendement wel meer inleg is vereist. Deze, door Van Ommeren ‘voorverpakte fondsen’ genoemd, gaan bij collectieve regelingen door hun ‘one size fits all’-benadering voorbij aan verschillen in risicoperceptie van de belegger en aan veranderende marktomstandigheden. Maar een belangrijkere beperking is dat er geen optimale ‘matching’ is met de verplichtingenstructuur.

‘Het is tijd voor doelbeleggen 2.0, waarbij maatwerk centraal staat’

Daarom is het volgens Van Ommeren tijd voor ‘doelbeleggen 2.0’, waarbij maatwerk centraal staat. “Bij het DC-beleggen moeten de fondsen zich veel meer richten op het matchen van de noodzaak om inkomen te creëren in de pensioenfase.” Het gaat, zo stelt Van Ommeren, niet alleen om het beleggingsrisico gedurende de looptijd, maar ook om het inflatierisico (wat is de koopkracht van het opgebouwde vermogen) en het renterisico (welke annuïteit kan worden aangekocht op de gekozen pensioendatum). Modulair beleggen, waarbij het vermogen deels gealloceerd wordt naar een return-portefeuille en deels naar een matching-portefeuille en met deze verdeling kan worden geschoven, biedt de beste mogelijkheden om hierop in te spelen.

Financieel vermogen versus verdiencapaciteit
Tom Steenkamp, CIO Investment Solutions & Research bij Robeco, is kritisch naar de sector: “De onderbouwing van de keuzes rond de beleggingsmix ontbreekt vaak. Sommige aanbieders van lifecycle-oplossingen beleggen voor jonge deelnemers 100% in aandelen, andere starten met 80%. De exacte percentages hebben grote invloed op het eindresultaat, maar zijn soms uit de losse pols vastgesteld. Door het begrip ‘toekomstige verdiencapaciteit’ academisch te onderbouwen kunnen we de kwaliteit van die keuzes verbeteren.”

Die toekomstige verdiencapaciteit, door Steenkamp omschreven als de huidige waarde van de toekomstige besparingen, vormt samen met de tot dusver opgebouwde pensioenpot het totale vermogen. De verhouding van de twee bestanddelen binnen het totale vermogen verandert in de loop van de tijd, waarbij over het algemeen de pensioenpot (het financiële vermogen) in omvang toeneemt en de toekomstige besparingen dalen. In de ogen van Steenkamp is de optimale asset-allocatie, ofwel de weging van aandelen in de portefeuille, een constant percentage van het totale vermogen. In de praktijk betekent dit dat als de omvang van de toekomstige besparingen groot is ten opzichte van het huidige vermogen er meer risico kan worden genomen met het financiële vermogen. In een latere levensfase, als het financiële vermogen is gestegen maar de verdiencapaciteit is afgenomen, dient het risico in de pensioenportefeuille te worden teruggebracht.

Net als Van Ommeren benadrukt Steenkamp dat het lifecycle-pad niet voor iedereen hetzelfde is. “Moet Wesley Sneijder op dezelfde wijze voor zijn pensioen beleggen als een universiteitsprofessor, ervan uitgaande dat zij dezelfde risicohouding hebben?” is de retorische vraag die Steenkamp stelt. De topvoetballer heeft al op jonge leeftijd een groot vermogen opgebouwd, maar zijn toekomstige verdiencapaciteit is onzeker. Voor de professor ligt dit precies andersom. Dit betekent dat Sneijder relatief veel moet beleggen in een matching-portefeuille, die is afgestemd op het renterisico en de inflatie, en weinig in een return-portefeuille die moet zorgen voor de vermogensgroei. De hoogleraar kan door zijn baanzekerheid offensiever beleggen, wat goed uitkomt omdat hij minder vermogen heeft opgebouwd. Naast de verdiencapaciteit zelf is dus ook de zekerheid dat deze intact blijft van groot belang.

‘De toekomstige verdiencapaciteit heeft invloed op de huidige beleggingsmix’

Het voorbeeld illustreert volgens Steenkamp dat het glijpad voor de risicoafbouw bij lifecycle-beleggen verschilt per beroepsgroep. Dat verschil kan naast de omvang van het pensioenvermogen en de baanzekerheid ook het verband tussen de salarisontwikkeling en de ontwikkelingen op de aandelenmarkt betreffen. Voor de meeste beroepsgroepen geldt dat naarmate de beleggingshorizon afneemt, er minder in aandelen moet worden belegd ten einde het risico in de portefeuille af te bouwen. Maar voor bijvoorbeeld marketmakers op de beurs, voor wie het salaris sterk afhankelijk is van de ontwikkelingen op de aandelenmarkten, geldt dit niet. Door de grote onzekerheid over de toekomstige verdiencapaciteit kunnen deze het zich in het begin van hun loopbaan niet permitteren om al in aandelen te beleggen. Steenkamp: “Het salaris, de salarisontwikkeling, de risicohouding van de deelnemer, de omvang van het financiële vermogen en het verband tussen salarisgroei en rendement hebben alle invloed op het optimale glijpad van de lifecycle-portefeuille. Dit glijpad verschilt per persoon en dient dus in theorie individueel vastgesteld te worden.”

Fiscale behandeling
Lifecycle-beleggen is in de VS veel populairder dan in Europa. Steenkamp: “Behalve dat in Amerika veel meer dan hier sprake is van een DC-cultuur, heeft dit te maken met de wetgeving. Het is daar een van de weinige vormen van pensioenopbouw waarbij de werkgever niet aansprakelijk gesteld kan worden als deze tekortschiet.” In Europa zal een dergelijke ‘stimulans’ niet snel plaatsvinden. Maar een gunstiger fiscale behandeling kan wel een steun in de rug geven volgens Steenkamp. “Op dit moment kun je in een DC-regeling in de tweede pijler niet doorbeleggen na de pensioendatum. In de derde pijler kan dit wel, maar er wordt weinig gebruik gemaakt van die mogelijkheid. Bij DB wordt wel doorbelegd. Ze zouden dit moeten veranderen. Je creëert dan een gelijk speelveld en het is beter voor de deelnemers in DC.”


Deel deze pagina: