By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Jacqueline Lommen
/gssystem/nav/navigation-nl.jsp not found.

Europa: katalysator voor veranderingen in ons pensioenstelsel

12-02-2014 | Interview | Jacqueline Lommen Binnen de Nederlandse pensioensector is soms weerstand tegen de bemoeienissen vanuit Brussel. Maar is dit terecht? Jacqueline Lommen, directeur Europese Pensioenen bij Robeco, denkt dat we juist de vruchten plukken van Europese invloeden.

Het Nederlandse pensioenstelsel wordt wel omschreven als het beste, of een van de beste ter wereld. Deel je die mening?
Jazeker. Ons stelsel heeft wel last van de wet van de remmende voorsprong. Het is inderdaad een goed stelsel, maar we hebben wat moeite om mee te gaan met de tijd en de veranderingen die optreden. Mensen hebben andere behoeftes als het gaat om de oudedagsvoorziening. En we zijn geen eiland: we staan bloot aan invloeden vanuit Europese wetgeving en vanuit ‘best practices’ in het buitenland. Die twee samen, dus de veranderde marktbehoeftes en de nieuwe regels, betekenen dat we ons moeten aanpassen. Daar hebben we in Nederland wat moeite mee.

Is het terecht dat Europa zich bemoeit met ons pensioenstelsel?
Ik denk dat we dat niet moeten omschrijven als bemoeienis, eerder is sprake van invloed. Vanuit de markt, en door Europese beleidsmakers. Wat Europa doet is het creëren van een vrije markt voor pensioeninstellingen. Deze hebben, net zoals banken en verzekeraars, een Europees paspoort. Ze mogen zich over de grenzen bewegen. Dat betekent dat een buitenlandse pensioeninstelling ook een Nederlandse pensioenregeling mag uitvoeren. Dat staat nog in de kinderschoenen, maar het gaat zich langzamerhand wel manifesteren. In dat verband moet je er natuurlijk wel voor zorgen dat de pensioeninstellingen allemaal aan dezelfde eisen voldoen. Dat geeft voor de sociale partners, die daar eventueel hun pensioenregeling onderbrengen, zekerheid dat het een gezonde instelling is.

Het tweede wat Europa doet is ervoor zorgen dat de pensioeninstellingen voldoende gekapitaliseerd zijn, dat de solvabiliteit in orde is. Europa let er ook op dat de eisen in dat opzicht in alle landen hetzelfde zijn. Anders krijg je ‘regulatory arbitrage’, dat sociale partners om de verkeerde reden kiezen voor een bepaald land. De invloed van Europa is dus goed, het heeft te maken met de interne markt, het komt voort uit de Europese pensioenrichtlijn die Frits Bolkestein als lid van de Europese Commissie mede heeft ingesteld. We hebben er allemaal baat bij als we daar actiever aan mee werken.

Het nieuwe pensioencontract, nieuwe boekhoudregels, de langere levensduur. Dit komt allemaal af op de pensioenfondsbestuurder en ook de financieel directeur. Welke trends zie je en hoe blijven we door de bomen het bos zien?
Europa is niet alleen gericht op de grensoverschrijdende activiteiten. Europa werkt ook als een ‘catalyst for change’ in de Nederlandse binnenlandse pensioensector. Ik zie fundamentele veranderingen op drie terreinen. Ze zijn al gaande, maar je moet ze kunnen zien en ook willen zien. Ten eerste veranderingen op het gebied van de pensioeninstellingen, in Nederland ook de pensioenuitvoerders genoemd. Als tweede zijn er de veranderingen die te maken hebben met de financiering van het pensioen. En de laatste groep van veranderingen heeft betrekking op het product, de pensioenregelingen. Dat zijn drie onderscheiden gebieden. Als je daar je analyse aan ophangt, houd je beter het overzicht, krijg je voor jezelf als pensioenfondsbestuurder of financieel directeur meer structuur.

Wat gaat er veranderen met betrekking tot de uitvoeringsmodellen?
Het belangrijkste is dat we marktwerking krijgen in de collectieve pensioensector. Sociale partners, dus niet individuele werknemers, krijgen meer keuzemogelijkheden waar het gaat om het onderbrengen van de pensioenregeling. De marktwerking komt voor een deel voort uit Europese wetgeving. Vrijheid van dienstverlening staat daarin centraal, we willen immers een vrije markt creëren. In Nederland hebben we die van oudsher niet in de collectieve pensioensector. Er zijn twee partijen: de pensioenfondsen aan de ene kant en verzekeraars aan de andere kant. Van de regelingen zit circa 90% bij een pensioenfonds en 10% bij een verzekeraar. Er zijn duidelijke taakafbakeningen tussen die twee en ook productafbakeningen. We hebben dus niet echt een vrije markt. Door de lancering in 2011 van de premiepensioeninstelling als een nieuw, derde, uitvoeringsmodel, is bewust marktwerking geïntroduceerd door de Nederlandse overheid. Het voor 2015 aangekondigde multipensioenfonds zal dit nog verder versterken.

Bij de pensioenfondsen kennen we ook nog eens de grote verplichtstelling. Sommige bedrijfstakken hebben een verplichte pensioenregeling die bij een verplichte pensioenuitvoerder zit. Geen vrije marktwerking dus, het gaat om een verplichtstelling. Dat bijt met de doelstellingen van Europa en het bijt met marktbehoeftes. Sociale partners willen wat meer kunnen kiezen tegenwoordig.

De grote verplichtstelling is dus niet langer houdbaar in de Europese context?
De grote verplichtstelling staat niet alleen onder druk vanwege Europese invloeden, maar ook van binnenuit, van sociale partners die meer keuzevrijheid willen. Het punt is niet dat werknemers binnen bedrijfstakken allemaal een pensioenregeling aangeboden moeten krijgen van hun werkgever en dat bedrijven binnen die bedrijfstak allemaal dezelfde pensioenregeling moeten aanbieden. Ik denk dat deze zogenoemde kleine verplichtstelling op zich een groot goed is. Dat voorkomt concurrentie in bedrijfstakken en voorkomt veel gedoe en tijdsbelasting. Het probleem is dat deze pensioenregeling verplicht is ondergebracht bij een specifiek pensioenfonds. Dat druist in tegen vrije marktwerking.

“De grote verplichtstelling in Nederland hangt aan een dun draadje. Ik denk dat we er verstandig aan doen om het stuur zelf in handen te houden.”

Misschien wil een verzekeraar of een premiepensioeninstelling of een buitenlandse pensioeninstelling de regeling voor dat bedrijf of die bedrijfstak uitvoeren. Dat bijt en daarvoor zijn we al enkele malen bij de European Court of Justice geroepen. Tot nu toe hebben we altijd gewonnen, maar die specifieke positie van Nederland hangt nog maar aan een dun draadje. Ik denk dat we er als Nederlanders verstandig aan doen om het stuur zelf in handen te houden. Laten we het heft zelf in handen nemen en zorgen dat we daar zelf een oplossing voor maken, voordat we door de Europese rechter worden gedwongen om de grote verplichtstelling af te schaffen.

Wat zijn in dit kader de beste oplossingen?
Een mogelijk oplossing is dat je de verplichtstelling verhangt. In plaats van een verplicht gesteld pensioenfonds wordt het dan primair een verplicht gestelde regeling. De regeling is dan voor iedereen in de bedrijfstak verplicht, maar de bedrijfstak als collectiviteit kan shoppen, dus zelf bepalen waar deze de regeling onderbrengt.

Hoe kijk je tegen de nieuwe solvabiliteitseisen aan? Wat zijn de consequenties voor de pensioensector?
In Europa wordt al 15 jaar gewerkt aan IORP2, zeg maar het Europese FTK, het financieel toetsingskader voor de pensioeninstellingen. Dat wordt in Nederland nu ook voelbaar. De eerste versie was de pensioenrichtlijn zelf uit 2003. IORP2, de nadere uitwerking daarvan, sluit aan bij de Europese solvabiliteitseisen voor financiële instellingen in het kader van Solvency2 en Basel2 en 3. Na de banken en verzekeraars is nu de pensioensector aan de beurt. Dit alles dus om ervoor te zorgen dat als je je pensioenregeling ergens onderbrengt, dit gebeurt bij een gedegen gekapitaliseerde instelling en oneigenlijke concurrentie tussen verschillende soorten Nederlandse pensioenuitvoerders wordt gestopt.

IORP2 is er speciaal voor de pensioenfondsen en is dus geen kopie van Solvency2 van de verzekeraars. EIOPA, de Europese pensioenautoriteit, heeft vanaf het begin gezegd dat verzekeraars en pensioenfondsen niet over één kam geschoren kunnen worden.

“Ik verwacht dat het Europese FTK minder rigide is en daarmee heel goed nieuws is voor de Nederlandse pensioensector.”

In beide toetsingskaders is sprake van solvabiliteitsbuffers, waar de Nederlandse pensioenfondsen al aan gewend zijn. Het verschil is dat de pensioenfondsen, anders dan de verzekeraars, drie andere extra zekerheidsmechanismen hebben, namelijk de mogelijkheid om pensioenuitkering en opgebouwde rechten af te stempelen, de mogelijkheid tot conditionele indexatie en bijstorting van extra premies door de werkgever. Deze drie zekerheidsmechanismen mogen we voortaan, simpel uitgelegd, aftrekken van de buffer. In plaats van 125 of 130 procent buffer, hebben we dan bijvoorbeeld maar 115 procent buffer nodig. Dat maakt het systeem flexibeler, en holistisch, waarmee ik bedoel dat je met meerdere zekerheidsmechanismen rekening houdt. Ik verwacht dat het Europese FTK minder rigide is en daarmee heel goed nieuws is voor de pensioensector. Dit dus in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht.

Hoe moet Nederland zich opstellen in het Europese debat?
We moeten ervoor zorgen dat we in de stuurhut zitten van de mammoettanker die toch wel doorvaart. Dat zie je de laatste jaren ook heel mooi gebeuren. Nederland en Groot-Brittannië zijn de landen waar het Europese FTK de meeste invloed heeft, omdat daar de grootste pensioenfondsen zitten met DB-regelingen. En het zijn vooral Nederlanders en Britten die de laatste tijd de pen hanteren in Brussel en Frankfurt. Bij de Europese Commissie, in het Europese Parlement en op het secretariaat bij EIOPA bereiden zij de vragenlijsten van de Quantitative Impact Studies (QIS’en) voor die gebruikt worden om de nieuwe Europese regels in de praktijk te toetsen en te verfijnen. Meerdere pensioenfondsen worden dan betrokken bij het doorrekenen van de consequenties van de nieuwe regels.

Wat hoor je van financiële bestuurders van ondernemingen met betrekking tot de aangescherpte financieringsvereisten?
De internationale wetgeving met betrekking tot de solvabiliteit van pensioenfondsen, maar ook de IFRS-wetgeving, die op de ondernemingsbalans aangrijpt, hebben transparant gemaakt wat we in onze onderbuik al aanvoelden. Dat als je iets belooft aan mensen met DB-pensioenen - bepaalde financiële garanties, bepaalde uitkeringen - dat je dan daarvoor voldoende geld moet reserveren. De nieuwe wetgeving kwantificeert hoe veel je dan moet aanhouden en dwingt af dat je dat ook werkelijk doet als pensioeninstelling en als onderneming.

Dat is nu sinds twee, drie jaar bezig en heeft ervoor gezorgd dat pensioenen nu gespreksonderwerp zijn aan de bestuurstafel van ondernemingen. Werkgevers zien hun pensioenverplichtingen en -kosten dichterbij komen. Ze zien ook dat ze stijgen en onvoorspelbaar en omvangrijk zijn. De CFO’s en de Risk Officers van de hoofdkantoren proberen steeds meer grip te krijgen op de pensioenvoorzieningen.

Nieuwe pensioenregelingen zijn er nodig. Deels zijn die er al. Welke pensioencontracten liggen het meest voor de hand voor de financiële bestuurders van ondernemingen?
De derde groep van ontwikkelingen in de pensioensector, na die op het gebied van de pensioeninstellingen en die van de financiering, heeft betrekking op de pensioenregelingen. De risico’s rond pensioen, dat we langer leven, hoge inflatie die de koopkracht uitholt, marktrisico’s zoals een tegenvallende beursontwikkeling en lage rekenrente, liggen nu bij de werkgevers en de financiële instellingen. Die niet te controleren en vaak dure risico’s verschuiven naar de werknemers. Dat gebeurt door nieuwe regelingen overeen te komen, bijvoorbeeld als een DB-regeling wordt omgezet in een CDC-regeling. Maar als een DB-regeling wordt omgezet in een tussenvariant-contract of wordt afgestempeld, dan verschuiven de risico’s ook naar de deelnemers. Waar het heel transparant gebeurt, is als je overstapt op een DC-regeling. Die trend is ingezet en neemt in kracht toe.

Het is belangrijk dat we de deelnemers beschermen tegen de risico’s die hun kant opschuiven. Er ligt een mooie taak bij ons als sector om hen aan de hand te nemen en te helpen bij beheersen van de risico’s.

Moet de sector niet ook een sturende rol spelen richting de werkgevers?
Dat denk ik wel. We hebben tegenwoordig ‘Smart DC’-regelingen. De kern daarvan is dat we tegemoet komen aan de behoeftes van zowel de werkgever als de werknemer. Werkgevers krijgen met een Smart DC-regeling een IFRS-proof regeling, die dus ervoor zorgt dat de pensioenlasten op een stabielere manier terugkomen in de winst- en verliesrekening en op de ondernemingsbalans. Maar werknemers zijn er ook bij gebaat, want we nemen ze aan de hand, ze krijgen persoonlijke eigendomsrechten en het pensioen wordt begrijpelijker en meer gewaardeerd. Dat betekent dat het een integere pensioenregeling is en dat is ook voor werkgevers prettig om te weten. Ze kunnen dan makkelijker die ommezwaai maken.

“De kern van ‘Smart DC’-regelingen is dat we tegemoet komen aan de behoeftes van zowel de werkgever als de werknemer.”

Blijft de solidariteit binnen de pensioenregeling in stand bij een Smart DC-regeling?
Een aantal zaken zijn ‘smart’ geregeld. Het eerste is dat het een collectieve regeling is. Net als in een DB-regeling wordt het vermogensbeheer op een collectieve manier gedaan, wordt het pensioencontract collectief door de sociale partners overeengekomen en gezamenlijk bij een uitvoerder naar keuze ondergebracht. Bij collectiviteit heb je ook schaalvoordelen en kostenvoordelen.

Het tweede kenmerk van Smart DC is dat het solidaire elementen heeft. Dezelfde als bij DB. Risico’s rond vroeg overlijden, arbeidsongeschiktheid of lang leven kun je als individu bijna niet dragen. Deze biometrische risico’s worden solidair gedeeld. Het enige wat in Smart DC niet solidair wordt gedragen is de intergenerationele solidariteit en het intransparante herverdelingsvraagstuk dat daarmee samenhangt. Precies het element waar steeds meer discussie over is ontstaan de laatste jaren, aangezwengeld door de jongeren. We gaan niet achteraf herverdelen, iedereen heeft zijn eigen pensioenpot. Die is en blijft van jou.

Hoe zijn de beleggingen geregeld in een Smart DC-regeling?
Het beleggingsbeleid kun je zien als een derde, heel belangrijk element dat typerend is voor Smart DC. Het beleggingsrisico rust op de deelnemer. We moeten de deelnemers dus helpen met beleggen. We willen immers hier in de Nederlandse pensioensector geen Amerikaanse toestanden. Dat doen we door goede ‘default-opties’ aan te bieden, mensen kunnen het laten beleggen. We hebben, als Robeco, hier zo’n 25 jaar ervaring mee en deze leert dat 95 procent ook kiest om het door ons te laten beleggen. Zelf de beleggingskeuzes maken kan ook, als je dat wilt kun je zelf de beleggingsportefeuille samenstellen. Maar voor die grote meerderheid die het liever overlaat aan de pensioeninstelling hebben we life cycle-beleggingsstrategieën. Deze default-keuzes zorgen ervoor dat als je jong bent je relatief veel risico loopt en een hoog rendement ontvangt, en dat je als je dichter bij je pensioengerechtigde leeftijd komt juist minder risico loopt, maar ook minder rendement maakt op je pensioenvermogen. Dat laatste is belangrijk omdat dan je pensioenpot relatief groot is en, vanwege de korte resterende looptijd, minder risico mag lopen. Bij het life cycle-beleggen wordt elk jaar de beleggingsmix van de pensioenpot automatisch aangepast. De deelnemers hoeven dit niet zelf te doen. Alle kennis die de Nederlanders hebben opgedaan met ALM-risicobeheer in DB-regelingen wordt nu aangewend om verantwoorde life cycle-beleggingsstrategieën te ontwikkelen.

Hoe geeft de PPI, de premiepensioeninstelling, handen en voeten aan de Smart DC-regeling?
De Robeco PPI speelt in op alle drie de trends die ik hiervoor heb beschreven. De PPI is een alternatief voor het pensioenfonds en de verzekeraar. Geen product dus, maar een pensioeninstelling, een uitvoeringsmodel. De PPI mag door iedereen worden opgericht, dat hoeft niet gedaan te worden door sociale partners. Robeco heeft als een van de eerste binnen Nederland een PPI opgericht. In Nederland en ook Groot-Brittannië en Ierland is het PPI model iets nieuws, maar in andere landen is het een heel gangbaar uitvoeringsmodel. De grote Duitse PensionsKassen en de Zwitserse PensionsFonds zijn bijvoorbeeld ook in handen van pensioendienstverleners. Ook hier doet de invloed van Europa zich dus gevoelen in Nederland. Robeco was al langer actief als uitbestedingspartner voor pensioenfondsen, maar is nu dus zelf een pensioeninstelling.

De PPI is een niet risicodragend vehikel en kent daarom weinig solvabiliteitseisen en governance-vereisten. De PPI is daarmee ‘lean’ en dat brengt kostenvoordelen met zich mee die we kunnen doorgeven aan de klant. Er zijn veel mispercepties over de PPI’s. Er wordt wel eens gedacht dat zij alleen voor de opbouwfase mogen worden gebruikt en alleen geschikt zijn voor DC-regelingen, maar dat is dus niet zo. PPI’s mogen alle soorten pensioenregelingen beheren zo lang het financiële en biometrische risico maar niet op de balans drukt. Zo lang zij met partners werken is de reikwijdte van de PPI’s veel breder dan vaak wordt gedacht.

Dit interview verscheen eerder in ‘Pensioen & Praktijk’
Deel deze pagina: