By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Reëel pensioencontract biedt meer zicht op indexatie

18-07-2013 | Visie Pensioenfondsbestuurders staan voor een lastige keus: een nominaal of reëel pensioencontract. Wil men perspectief houden op indexatie, dan is het reële contract veelal de beste keuze.
 
Dat is de conclusie van Robeco in een whitepaper dat binnenkort verschijnt.  Tijdens een door Robeco georganiseerd pensioenseminar heeft Tom Steenkamp, Co-Head Investment Solutions & Research bij Robeco, alvast een voorschot gegeven op het whitepaper.
 
Conclusies in het kort:
  • Nominale zekerheid gaat ten koste van indexatieambitie
  • Reëel pensioencontract geeft meer flexibiliteit en grotere kans op indexatie
  • Contractkeuze vooral van invloed op samenstelling matching-portefeuille
 

Een lastige keuze

Begin volgend jaar moeten pensioenfondsen een keuze maken tussen het nominale en het reële pensioencontract. In 2015 wordt immers het nieuwe Financieel toetsingskader (FTK) van kracht. Veel fondsbestuurders kunnen en/of willen deze keuze nog niet maken omdat veel onzeker is. Zo is er een kans dat er een derde mogelijkheid komt, die mogelijk een combinatie is van genoemde contracten. 
 
Contractkeuze belangrijk voor strategisch beleggingsbeleid
De keuze voor een nominaal dan wel een reëel contract heeft belangrijke implicaties voor het strategische beleggingsbeleid. Om hierin helderheid te brengen beschrijft Steenkamp in de whitepaper de factoren die het pensioenresultaat (‘koopkracht’) beïnvloeden.
 
Het complexe vraagstuk kan volgens hem in de praktijk worden teruggebracht door de pensioenportefeuille voor te stellen als een mix van twee portefeuilles. Steenkamp: ‘Met deze mix kun je in principe elk risico-rendement profiel krijgen. Een matching-portefeuille die bedoeld is om de pensioenverplichtingen veilig te stellen en een return-portefeuille waarmee je probeert een zo hoog mogelijk voor risico gecorrigeerd rendement te behalen’.
 
De verdeling van het pensioenvermogen over de matching- en de return-portefeuille is afhankelijk van de risicotolerantie en het risicodraagvlak van de (gezamenlijke) deelnemers van het fonds. ‘Belegt men meer in de return-portefeuille, dan gaat het verwacht rendement omhoog, maar ook het risico. Besluit men meer in de matching-portefeuille te beleggen, dan geldt het omgekeerde’, aldus Steenkamp.
 
De inrichting van de return-portefeuille is bij het reële en het nominale contract nagenoeg gelijk, maar bij de matching-portefeuille ligt dit anders. In het nominale contract streeft het pensioenfonds naar een minimaal risico ten aanzien van de nominale verplichtingen, in het reële kader dient het fonds de waarde van de reële pensioenverplichtingen te volgen. Een praktisch probleem is daarbij dat er geen Nederlandse ‘index-linked bonds’ (ILB’s) worden uitgegeven. In de ogen van Steenkamp zou de invoering van het reële contract voor de Nederlandse staat een goede reden kunnen zijn om dergelijke leningen alsnog uit te geven. 
 
‘Kiest een pensioenfonds ervoor om risico’s te mijden, dan raakt indexatie uit beeld’ 
  

Nominaal versus reëel pensioencontract 

Het verschil
Het essentiële verschil tussen het nominale en het reële pensioencontract zit in de hardheid van de pensioentoezegging die wordt gedaan. De mate waarin beleggingsrisico kan worden genomen, met name bij slechte financiële omstandigheden, is daarbij een cruciale factor. 
 
Het nominale contract
Bij het nominale pensioencontract gaat men uit van een pensioentoezegging met een harde ondergrens. Deze ondergrens is het pensioen dat jaarlijks wordt opgebouwd zonder indexatie. Het pensioenfonds streeft nog wel naar indexatie, maar deze zal alleen worden toegepast als de financiële positie van het pensioenfonds het toelaat. De hardheid van de ondergrens is overigens niet 100%. Bij sterk tegenvallende ontwikkelingen kan bij het nominale contract ook gekort worden op de nominale pensioentoezegging.
 
Als een pensioenfonds te maken heeft met geringe buffers en de dekkingsgraad komt onder 105 procent, dient het fonds met een herstelplan te komen. De negatieve schokken dienen binnen drie jaar te worden opgevangen. In de praktijk wordt dan minder risicovol belegd. Dit vermindert de kans op een verdere daling. De kans op een goed rendement neemt echter ook af en het fonds komt minder snel weer uit een situatie van onderdekking. 
 
Het reële contract
In het reële contract zit de indexatie ingebakken: de pensioentoezegging groeit jaarlijks mee met de inflatie. Uiteraard heeft dit een keerzijde. Het fonds dient de dekkingsgraad op 100 procent te houden. Dit brengt met zich mee dat er aan het eind van het jaar moet worden gekort als het pensioenvermogen te laag is in verhouding tot de reële verplichtingen. Daarbij worden de kortingen uitgesmeerd over tien jaar, waardoor de ‘pijn’ kan worden uitgesmeerd. Hetzelfde principe geldt overigens voor meevallers. Ook deze worden gedurende een periode van tien jaar gelijkmatig verdeeld meegenomen in de pensioenresultaten.
 
De uitkomst van de pensioenopbouw wordt door de jaarlijkse bijstellingen onzeker, maar de verwachting van de meeste pensioenexperts is dat dit uiteindelijk wel hogere pensioenen oplevert door de mogelijkheid om offensiever te beleggen. De kans dat er gekort moet worden is in het reële contract dus groter dan in het nominale contract, maar de omvang van de kortingen zal kleiner zijn.


Beperkingen bij nominaal contract
Steenkamp wijst op de beperkingen van het nominale contract: ‘Een pensioenfonds kan in het nominale contract in principe op drie manieren reageren op tegenvallers: de premies verhogen, de buffers aanspreken of de uitkeringen aanpassen. Maar in de huidige situatie is het herstelvermogen via premies en buffers bij veel pensioenfondsen beperkt of zelfs afwezig. De uitkeringen aanpassen ligt bij een nominaal contract moeilijk. Dat is echt een ultimum remedium.’
 
Steenkamp maakt zich daarom sterk voor het reële contract. Als de dekkingsgraad laag is en de pensioenbuffers klein, is er in het nominale contract geen ruimte om voldoende beleggingsrisico te nemen. Dit is echter wel nodig om de indexatiedoelstellingen te realiseren. ‘Het gebrek aan herstelvermogen is problematisch. We hebben op basis van de verwachtingen voor inflatie en beleggingsrendementen van de commissie-Don berekeningen gemaakt. Daaruit blijkt dat voor een gemiddeld pensioenfonds de kans op korting bij een nominaal contract structureel 3 procent per jaar is. Als er gekort moet worden, bedraagt de korting gemiddeld meer dan 10 procent. Kiest een pensioenfonds ervoor om risico’s te mijden, dan raakt de mogelijkheid om te indexeren uit beeld. Dit in tegenstelling tot bij het reële contract’. 
 
Pensioenresultaat bij een nominaal versus een reëel pensioencontract
Reëel pensioencontract biedt meer ... | IMAGE
De grafiek laat de mediane pensioenresultaten zien voor een representatieve portefeuille in beide contracten
  
Grotere kans op indexatie bij reëel pensioencontract
‘Pensioenfondsen zitten momenteel klem in hun beleggingsbeleid. Doordat fondsen enerzijds sturen op nominale zekerheid en anderzijds op een indexatieambitie, zitten zij veelal in een onhoudbare spagaat’, aldus Steenkamp.
 
De indexatieambitie staat dan ook druk. Om toch in te kunnen spelen op deze indexatieambitie hebben pensioenfondsen behoefte aan meer flexibiliteit. Daarnaast vragen ook de doorzettende vergrijzing en de gewijzigde boekhoudregels in het kader van IFRS om meer flexibiliteit. Steenkamp:
 
‘Het reële kader biedt dit, waar het nominale contract bij een lage dekkingsgraad grote beperkingen oplegt’. De schokken worden in het reële kader direct opgevangen door te korten op de indexatie of, indien nodig, op het nominale pensioen. Daarbij wordt de pijn wel uitgesmeerd over maximaal tien jaar. De kans op een nominale korting is daardoor in het reële contract weliswaar hoger dan in het nominale contract, maar de gemiddelde omvang van de korting is aanzienlijk kleiner. Dat is per saldo aantrekkelijker’.
Deel deze pagina: