By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Alfred Slager

Implementatie factorbeleggen: ‘vele wegen leiden naar Rome’

06-02-2014 | Visie De aandacht voor factorbeleggen - het beleggen in systematische rendementsbronnen - neemt snel toe. Maar hoe implementeren pensioenfondsen het in hun portefeuilles en in hun beleggingsprocessen? Dit vragen we aan Alfred Slager, professor pension fund management aan de TiasNimbas Business School van de Universiteit van Tilburg.

Alfred Slager heeft, samen met de professoren Kees Koedijk en Philip Stork, het onderzoeksrapport 'Factorbeleggen in de praktijk: Een implementatiehandleiding voor bestuurders' geschreven. De conclusie van dat rapport is dat factorbeleggen op verschillende manieren is door te voeren: ‘vele wegen leiden naar Rome’.

Wat is de achtergrond voor dit tweede researchrapport?
Er werd veel gepraat over factorbeleggen, maar we wisten nog weinig over de toepassing ervan. Daarom was een follow-up rapport nodig. De kennis en ervaring van fondsen die hier al mee gestart zijn, kan andere fondsen helpen met hun implementatie.

Toen we begonnen aan het eerste onderzoek, was al snel duidelijk dat er twee verschillende onderzoeksvragen waren. In welke mate ontwikkelt factorbeleggen zich? Dit is de theoretische kant, die we in ons eerste rapport behandelen. De andere onderzoeksvraag is: hoe passen institutionele beleggers factorbeleggen precies toe? Op deze vraag gaan we in het tweede rapport in.

Wat is de grootste verrassing uit dit rapport?
Dat er verschillende varianten zijn om factorbeleggen te implementeren. Vele praktische zaken waren voordat we aan de studie begonnen nog onbekend. Denk bijvoorbeeld aan het inpassen van factorbeleggen in het beleggingsproces, de stuurbaarheid en de rol van de toezichthouder.

Waarom is er nu zoveel aandacht voor factorbeleggen?
Het zijn twee impulsen die gelijktijdig optraden. Allereerst de grote financiële crisis van 2008/2009. Diversificatie bleek lastiger dan gedacht. Het denken over uitgangspunten als diversificatie stond daarom hoog op de agenda. Hoe kunnen we het zo inrichten dat we er bij de volgende financiële schok robuuster uitkomen?

Een tweede element is dat pensioenfondsen kritischer zijn geworden over de rol van actief management. Pensioenfondsen willen wel betalen voor de ‘skills’ van de portefeuillemanager, maar niet voor rendementen die ontstaan door blootstelling aan factoren die zij ook op een andere manier in de portefeuille kunnen krijgen. Factorbeleggen draagt bij aan de discussie over de rol van actief management.

Wat zijn uw eigen ervaringen over hoe pensioenfondsen denken over factorbeleggen?
Er zijn fondsen die er mee bezig zijn en het als een aanwinst zien in hun portefeuilleconstructie. Zij zijn bijvoorbeeld bezig met benchmarks die gebaseerd zijn op factoren. Andere fondsen wachten echter liever af. Ze vinden factorbeleggen meer een black box. Maar ook zij willen de portefeuille robuuster maken en diversificatie beter neerzetten.

Waarom lopen Nederlandse en Scandinavische beleggers hiermee voorop?
Ze hebben veel institutioneel vermogen met een langetermijnhorizon. Maar ze willen de risico’s voor neerwaartse schokken op de korte termijn ook beter beheersen. Daarnaast hebben Nederlandse en Scandinavische fondsen de focus op transparantie, kostenbeheersing en goed doordachte beleggingsprocessen. Tot slot hebben zij veel aandacht voor beleggen op wetenschappelijke basis.

Gaan in de toekomst alle institutionele beleggers aan factorbeleggen doen?
We zullen het steeds meer gaan zien in verschillende varianten. Het is voor elk wat wils. Wat ze gemeen hebben, is het streven naar een stabiele en betere diversificatie in combinatie met nieuwe rendementskansen.

Welke andere professionele beleggers zullen ook kiezen voor factorbeleggen?
Het zou mij niet verbazen als stichtingen, verenigingen en private wealth-fondsen het gaan toepassen. Maar er is een barrière. Je stapt af van de vertrouwde aandelen en obligaties. Term spread en liquidity premium zijn abstracter en lastiger uit te leggen. Aan de andere kant zien we wel dat een factorportefeuille voor stabielere rendementen kan zorgen.

Welke manieren zijn er om factorbeleggen te implementeren?
In ons onderzoeksrapport bespreken we verschillende varianten. Vaak passen institutionele beleggers factorbeleggen stapsgewijs toe.

Ze kiezen vaak eerst voor de eerste variant, de zogenoemde ‘risk due diligence’ variant. Je past de portefeuille niet direct aan, maar je kijkt naar de blootstelling aan verschillende factoren. Met je asset-allocatie kan je de blootstelling vergroten of verkleinen. Het is als een soort gezondheidsscan.

De tweede variant is het bewuster kiezen voor factoren in de strategische asset-allocatie. Hier pas je de beleggingsstijl en benchmark aan naar factoren. Factoren die je niet hebt in je klassieke beleggingen hebt, pas je toe in je alternatieve beleggingen.

De derde variant is de meest consequente. Hier baseer je de gehele portefeuille op factorpremies. Maar er zijn tot nu toe weinig partijen die dat doen.

Wat zijn de drie grootste hindernissen waarop institutionele beleggers stuiten bij de implementatie?
Allereerst is de ‘taal van factorbeleggen’ een hindernis. Het is minder concreet en de begrippen zijn minder bekend. Ten tweede is het herbalanceren een implementatievraagstuk waar beleggers veel werk moeten verrichten om het goed in het beleggingsproces in te bedden. En een derde hindernis is dat het voor veel bestuurders nieuwe en complexe beleggingen zijn. Het past niet in de tijdgeest om nu nieuwe en spannende dingen te doen.

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de diverse aanpakken?
Hoe rigoureus je het wil toepassen. Daar zijn verschillende varianten in. Maar in alle gevallen krijg je inzicht in de portefeuille.

‘Er zijn verschillende werkbare manieren om factorbeleggen door te voeren’

Hoe kijken de regelgevers aan tegen factorbeleggen?
Er zijn plussen en minnen. Een robuustere portefeuille is een plus. De verhoogde transparantie van kosten is ook een plus. Pensioenfondsen weten door factorbeleggen beter waarvoor ze wel en niet betalen.

Er is vanuit toezicht ook een duidelijke min. Het spanningsveld is het gevoel van ‘in control’ zijn bij de bestuurder en uitvoerder. Je moet heel wat regelen. Het legt de lat operationeel gezien wat hoger voor wie ermee aan de slag gaat. Maar de praktijk heeft nu al uitgewezen dat er verschillende werkbare manieren zijn om factorbeleggen door te voeren. Daarom zullen in de toekomst steeds meer professionele beleggers alloceren naar factoren.

Meer weten?
Vraag uw Robeco-contactpersoon om het onderzoeksrapport 'Factorbeleggen in de praktijk: Een implementatiehandleiding voor bestuurders' van de professoren Kees Koedijk, Alfred Slager, en Philip Stork.

Deel deze pagina: