By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

Robeco uses cookies to analyze your visit to this site, to share information via social media and to personalize the site and advertisements in line with your own preferences. By clicking on agree or by continuing on this site, you agree to the above. More information and adjusting cookie settings.

AGREE

By continuing on this site you have agreed to cookies being placed and accessed by this website. More information and adjusting cookie settings.

Lukas Daalder

Schuld is vermogen

17-02-2015 | Column | Lukas Daalder Een schreeuwend tekort aan schuld
Paul Krugman riep dit weekend de toorn over zichzelf af door in een column in de New York Times te stellen dat de schuld van de ene persoon het vermogen van de andere is. Hij wist op voorhand dat het veel negatieve reacties zou oproepen, want in de column stelde hij al dat het zijn ervaring was dat zijn opmerking the power to induce blinding rage in many people had. Nou moet ik de eerste column van Krugman nog tegenkomen die geen blinding rage bij grote groepen mensen oproept, maar dat terzijde. Ook uit eigen ervaring weet ik dat de constatering dat schuld gelijk is aan vermogen tot veel ophef leidt.

En toch is het zo. Zo is mijn hypotheekschuld het vermogen van een hypotheekboer, wacht de Italiaanse overheidsschuld geduldig op afbetaling op de balans van een Nederlands pensioenfonds en kent de creditcardschuld van mijn buurman een positieve tegenpost bij een bank. Het zijn twee zijdes van dezelfde medaille. Zodra iemand nieuwe schuld uitgeeft, zit er per definitie een tegenpartij aan vast die deze schuld gefinancierd heeft. En andersom, als ik meer spaar, komt dit automatisch als schuld ergens anders in de boeken te staan. Zelfs het geld in uw portemonnee is een vordering op een ander. U roept hogere schulden, maar u had net zo goed hoger vermogen kunnen roepen.

Waarom roept die simpele constatering dan zoveel emotie op? Deels zal het te maken hebben met onze Calvinistische inborst. Ook ik ben nog opgevoed met het idee dat je niet iets op de pof moet aanschaffen, dat je eerst moet sparen om iets te kopen. Schulden zijn slecht, simpel. Een belangrijk tweede argument is vermoedelijk het verschil in de machtsverhoudingen. De schuld ligt bij de armlastige consument met een hoge creditcardschuld, de zielige Griek of de zzp-er die gebukt gaat onder de rentebetalingen. Het vermogen ligt bij de banken, het kille grootkapitaal met slechts één oogmerk: winst. Schuld is daarmee een synoniem voor uitbuiting en hogere schulden betekent meer uitbuiting. Dat we met onze eigen pensioenfondsen ook aan de vermogenskant staan, dat we zelf de banken dwingen om risico’s te nemen als we voor de internetspaarrekening met de hoogste rente kiezen, dat vergeten we liever.

Schulden zijn slecht: ook mijn onderbuik zegt het. Te hoge schulden remmen de groei, werken verstikkend voor consumenten en producenten en zijn desastreus in periodes van deflatie. Kijken we echter naar de ontwikkelingen in de obligatiemarkt, dan is er slechts één conclusie mogelijk: er is helemaal geen overschot, maar juist een schreeuwend tekort aan overheidsschuld! Dat we in grote delen van Europa inmiddels met negatieve rentes rekenen geeft aan dat staatsobligaties als warme broodjes over de toonbank gaan.

Een schreeuwend tekort aan schuld, dus. Of een groot overschot aan vermogen natuurlijk: aan u de keuze.

Lukas Daalder

Lukas Daalder

CIO Investment Solutions
Deel deze pagina:

Author

Lukas Daalder
CIO Investment Solutions


Join the conversation



Nieuwsbrief

Meld u aan voor onze e-mail nieuwsbrief om updates te ontvangen en op de hoogte te blijven van aankomende webinars.